Fantoomwoede

Een hardnekkige liesblessure, maar vooral de verzengende hitte, weerhield me deze zomer van al te veel fysieke inspanning. Ouderwets als ik ben, lag naast mijn riante ligstoel een stapel boeken.

Nadat ik mentaal over heel de wereld had gezworven, schurken uitgeschakeld werden, grote familiegeheimen zich onthulden en raadselachtige moorden werden opgelost, droeg het volgende boek dat ik uit de stapel trok, de integrerende titel: ‘Fantoomgroei’.

Ik trok mijn stoel wat dieper in de schaduw, vulde mijn glas met ijskoud vocht en staarde naar de achterflap, waar twee jongens quasinonchalant de lens in keken. “Waarom we steeds harder werken voor steeds minder”, las ik op de voorkant. Ik nam me voor dat als het lezen te veel geestelijke gymnastiek vereiste, ik het boek direct onder op de stapel zou leggen.

Dat gebeurde niet. Sterker nog, het was een pageturner als in de beste thrillertraditie. Dat er een paar kleine foutjes door de eindredactie geslipt waren (zo was PSV niet in 1989, maar in 1988 Europees kampioen), is haar vergeven. Haarscherp en op originele wijze lieten de auteurs zien hoe de revenuen van de economische voorspoed verdwijnen in de zakken van de grootverdieners en hoe de ‘dieners’ worden afgescheept met de restjes.

Ik kon de linkjes snel leggen. Verplegers, politieagenten en andere werkbijen proberen tevergeefs betaalbare huisvesting te vinden. Beleggers kannibaliseren de woningmarkt. Verliezen in coronatijd worden afgewenteld op de overheid, terwijl de winsten van voorheen weggesluisd zijn. Tweede Kamerleden lopen de Kamer uit als er gestemd moet worden voor hogere beloningen van zorgpersoneel. ‘Alle economie is politiek’, zo concludeerden de jonge auteurs.

Ik werd bozer en bozer en moest en zou de straat op.

Dit pikken we niet meer!

Maar ja,

het was nog steeds verrekte heet. De lies speelde weer op.

Ik schonk nog maar eens bij en greep in de stapel naast me.