Klootzak en klootzakje

Ik pinkte een traantje weg toen ik de schade zag in mijn stad. Het stationsplein in Eindhoven leek wel oorlogsgebied. De dag erna ontving ik zelfs uit Ethiopië een bericht van een vriend die zich afvroeg wat er in hemelsnaam hier aan de hand was geweest. Bad news travels fast.

In de media volgen de analyses en de grote woorden elkaar in een non-stop tempo op. Geteisem, eencelligen, burgeroorlog, topje van de onvrede-ijsberg, schorremorrie enzovoorts enzovoorts.

Ik bezondig me maar niet aan sociologische analyses. Ik denk terug aan de tijd dat ik met soortgelijke gasten werkte. Een enkeling was een notoire badboy, voor geen enkele rede vatbaar. Alleen de stok bood uitkomst. De wortel was niet aan hen besteed. De meesten waren echter in essentie doodgoeie jongens. Een kort lontje, soms een bovenkamer kortsluiting, zeer vatbaar voor de (verkeerde)invloed van derden, wel een huis, maar geen thuis en niet altijd behept met een overdosis grijze cellen in de bovenkamer.

Zoals Hans. Kleerkast en toch nog maar 17 jaar oud. Ik ging met hem bankjes schilderen in het park. We hadden er die maandag een tig aantal gedaan en zouden er de daaropvolgende dag nog een stuk of acht gaan doen. Maar de volgende ochtend ontbrak Hans. Hij zat vast. Hij was die avond teruggegaan naar het park om zich er van te verzekeren dat het pas aangebrachte schilderwerk niet ontsierd zou worden. Met succes. Maar het kostte een paar andere jongens wat tanden en blauwe plekken. Zij wilden wat graffiti op de net aangebrachte lak spuiten. Hans had ze daar op geheel eigen wijze op aangesproken. Hij was er van overtuigd dat ik trots op hem zou zijn.

Of neem Erkan. Hij kwam op de opvang trots met een auto voorrijden. Tot zijn grote woede nam ik zijn sleutels af. Hij was nog geen achttien. De auto was van zijn neef. Die kon de sleutels bij me ophalen. Ondanks mijn uitleg dat iemand onverzekerd overhoop rijden tot ver in de toekomst gevolgen heeft, bleef hij volhouden dat als ik de sleutels niet terug gaf, ik aan het mes geregen ging worden. Jaren later liep ik hem bij toeval in de stad tegen het lijf. Hij omhelsde me bijna gênant innig en liet me weten dat ik met heel mijn familie gratis mocht komen eten in zijn pas geopende eetgelegenheid.

Ik weet het. In deze dagen overheerst de woede en ontzetting. Ook bij mij. En naar de stok grijpen is ook nodig. Structuur en duidelijkheid is nodig om fatsoenlijk samen te kunnen leven. Maar zonder wortel is alle hoop verdwenen. In veel van door ons gesteunde initiatieven werken mensen zich dag en nacht uit de naad om dit soort jongens op het goede spoor te krijgen. Dat lukt niet altijd: eerlijk is eerlijk, maar een klootzak, kan altijd nog een klootzakje worden. Daar blijf ik rotsvast in geloven.

Je las een column van:
Algemeen directeur Start Foundation